“…. Toen ik dichterbij kwam, ontwaarde ik een groepje witte huizen in de vallei, welke net boven het groen uitstaken, en de schone paden waren omzoomd met bebladerde bomen. Ik liep langs een watermolen, toen nog een, hun schoepenraden draaiden rond, het water spartelen latend, en net boven de molen stak een groep populieren uit. Daarna kreeg ik een kerktoren in het vizier, zo mooi als op een ansichtkaart, iets dat me nauwelijks gestoord zou hebben als alles niet zo werkelijk was geweest, zo warm en levendig. Aan een kant van de weg pastte een jongen op koeien, even verder hoedde een meisje ganzen. De huizen waren gegroepeerd rond de kerk. Ze hadden onbeschrijvelijk witte luiken, alsof ze lachten. Ik zeg u, het hele plaatje leek op een script voor een blijspel, of de achtergrond van een groot plakaat, met daarop: “Laten we door dit land reizen!” Maar de huizen waren niet slechts decor, achter de ramen ging een voorbijglijdend leven schuil, een kat snelde over het dak, tot het eind, kinderen speelden achter de poorten, en op straat rende een dienstjongen voor mij aan, een reusachtig wagenwiel vooruitrollend. Aan het einde van de grote erven stonden schuren, met daarnaast enkele fruitboompjes; de takken van de jonge appel- en perenbomen knakten bijna. En daar was ook een bijenkorf. Er waren hier veel gasten, die wat kreuzermunten aan de kinderen gaven, wat fruit kochten, wat oude deuntjes en wijsjes vroegen aan de ganzenhoeder, vredig spek rookten in de heuvels, en elkander respectvol groetten, tot in eeuwigheid....”
Het hierboven vermelde citaat van Sándor Török is overgenomen uit een uitgave van blad ‘Magyarság’ (‘Hongarijeachtigheid’) uit het jaar 1936. Reeds in die dagen keek hij op die manier tegen onze streek aan. Wij hopen dat onze geachte gasten dezelfde gevoelens en indrukken zullen hebben tijdens hun vakanties, en daarmee ook weer vertrekken, om een volgende keer weer terug te komen in de Oostelijke-Mecsek.

dr István Finta
Voorzitter van de Kring Oostelijke-Mecsek

Vertaling: Robert H.C. Kemkers